Camperlife.eu Theo en Corrie Keek

30dec/190

Marokko

Na de overvaart naar Marokko, het oponthoud in de haven van Tanger Med en de “verplichte” stop in Martil voor o.a. het tanken van diesel, Dirhams en het kopen van een telefoonkaart rijden we naar het oosten. De N16 heet weliswaar een kustweg te zijn maar de zee is grotendeels niet in zicht. Vooral na Bou-Ahmed is de zee totaal verdwenen en rijden we door het prachtige Rifgebergte.
Ook al blijft het verbazen en fascineren, nu we voor de zesde keer in Marokko zijn heeft het weinig zin alle indrukken voor de zoveelste keer op te schrijven over het Marokkaanse straatbeeld met bijbehorende dierentuin, het vervoer van mens en dier en de “huizen” waarin toch écht mensen wonen.

Om bij het strand van Torres de Alcalá te komen moesten we vorig jaar de laatste vijf kilometer piste rijden; er ligt nu een keurig geasfalteerde weg. We rijden door tot aan de waterkant en gaan een paar dagen genieten van dit mooie plekje met meerdere wandelmogelijkheden.
Torres de Alcalá is maar een klein dorpje aan de voet van een berg met het gerestaureerde Spaanse Fort van Senhaja. ‘s Nachts worden we bewaakt door de militairen van de militaire post op het strand. Er is hier een bijzondere manier van afval verwerking. Iedereen steekt de brand in zijn eigen hoopje afval. Ooit hebben we dit in Albanië gezien; in Marokko nooit eerder. We doen niet mee.

Een dag eerder dan de bedoeling was vertrekken we uit Torres de Alcalá. ’s Morgens om 6.00 uur begint het te regenen en het houdt niet meer op. De vooruitzichten zijn dat het tenminste tot middernacht zal blijven regenen. Meteen na het middaguur komt er een medewerker van de gemeente die waarschuwt dat we niet langer veilig staan vanwege overstromingsgevaar van de rivier.

We gaan 50km naar het oosten verhuizen en wel naar Al Hoceima waar we ons een grote geasfalteerde parkeerplaats aan zee herinneren. We volgen de N16 ten zuiden van het Parc National d’Al Hoceima. De bergen van het Massif des Bokkoyas kleuren prachtig in oker en roze. Zo’n drie kilometer voor de eindbestemming tanken we diesel en ….. komen vervolgens niet meer weg. Theo rammelt wat aan de kabels van de startaccu maar dat is het probleem niet. Er is spanning genoeg. De camper wordt aangedrukt en …. de motor slaat aan.
Ten oosten van Al Hoceima parkeren we bij Plage Sfiha (ons overleden poesje heette Shifa). Ter plekke: nogmaals starten – geen resultaat. Conclusie: waarschijnlijk heeft de startmotor het begeven. Het is tijd om de hulptroepen in te schakelen. Al snel hebben we de belofte dat er morgenochtend tussen 9.00-10.00 uur hulp zal komen. Ondertussen kijken we uit over zee en hebben uitzicht op een drietal eilanden, de Spaanse eilandengroep Peñon de Alhucemas; één van de rotsen is geheel bebouwd. De Spaanse soevereiniteit over het Peñon wordt door Marokko betwist. Het werd echter niet vermeld in de door Spanje overgedragen gebieden toen Marokko in 1956 onafhankelijk werd.

Het is even geduld hebben vandaag maar tegen 12.00 uur komt er een auto-ambulance aanrijden. Er wordt even onder de motorkap gekeken en geprobeerd of starten écht niet lukt. Nee dus! We mogen kiezen: op de auto-ambulance afgevoerd worden naar de 125km verder oostelijk gelegen Fiat-garage in Nador of even aandrukken en achter de auto-ambulance aanrijden naar de garage. We kiezen voor het laatste en worden netjes voor de deur afgeleverd.

Onderweg naar Nador merken we hoeveel schade de regen van gisteren heeft aangericht. Flinke stukken steen zijn van de bergen gerold en liggen op de rijweg alsmede diepe waterplassen en brede modderpartijen. Dat het zó heftig te keer is gegaan hadden we niet in de gaten.
In de garage in Nador blijkt het inderdaad de startmotor te zijn. Gemakkelijk wordt het niet. Men sleutelt zo’n 2½ uur met twee monteurs. Het lukt niet. Er komen twee mannetjes bij en zie: na nog een uurtje sleutelen start eindelijk de motor.
Dit feestje hebben we weer gehad. We maken ook nóóit eens wat mee!

In donker vertrekken we en in pikkedonker komen we “ergens” terecht voor de nacht. Het is een verrassing waar, we zien morgenochtend wel waar we wakker worden.
Als we nog in bed liggen worden we gewekt door een hondenconcert. Zodra de dag begint lopen er minstens twaalf zwerfhonden rond bij een aantal vissersbootjes. Tussen de bootjes ligt nogal wat afval. We zijn aan het vervuilde strand van Kariet Arkmane. Hoewel we ons na de dag van gisteren een dag rust beloofd hadden is dit geen aantrekkelijke plek om te blijven. We gaan.

Door het grapje met de startmotor hebben we de noordkust verder moeten volgen dan de bedoeling was; we gaan nu verder naar het zuiden. Tot zover was de route ons niet geheel onbekend. We proberen elk jaar nieuwe routes te rijden en gaan vanaf hier weer een nieuw stukje Marokko ontdekken. Op de kaart zien we dat we via de N15 naar het zuiden kunnen. Mooi niet dus: via één of ander hobbelweggetje belanden we op de N19 en komen uiteindelijk via de N6 alsnog op de N15 terecht. Het is evengoed een mooie, voor ons onbekende, rit.

In Mahirija komen we bij het in 2016-2017 gebouwde Complexe Touristique Benyakoub met een gastenverblijf (11 kamers), een restaurant en een zwembad. Er is tevens een plek voor campers gereserveerd. Het is een mooie plek en er komt een fatsoenlijke en hete straal water uit de douche. Op de camperplaats zijn we de enige gasten.
We gaan de omgeving verkennen. We lopen door eindeloze olijfboomgaarden. Overal worden de olijven geoogst. Langs een zandpad staan schijfcactussen; van de rode cactusvijgen wordt jam gemaakt. Achter de cactushaag zien we hier auberginevelden, daar paprikavelden. We lopen en lopen zonder ergens te komen. Na een uur gaan we dezelfde weg terug.

We rijden door een verlaten landschap, een eentonige kilometers lange rode, dorre vlakte waarin af en toe in de verte een “huis” zichtbaar is waar wij nog geen beest in zouden zetten maar waar hierin toch écht mensen wonen, te zien aan de was die er wappert en de tv-schotels op het dak. Toch hebben we de afgelopen jaren veel in positieve zin zien veranderen en verbeteren in dit land. Voor een berg hangt een wolk, roze van kleur, tot aan de grond. Bijzonder om te zien. De kleur wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het zonlicht. Lange tijd blijft de wolk aan onze rechterhand dan ….. buigt de weg af en moeten we er ruim tien kilometer lang doorheen. We rijden letterlijk door een roze wolk.

Zo’n drie kilometer voor Missour, de plaats waar we willen overnachten, spotten we de eerste dromedarissen. Meer dan een plek voor de nacht is het in Missour niet. We heten in het park van Hotel Baroudi te staan. Van een park hebben we een andere voorstelling. Dit is niet meer dan een kleine, rommelige binnenplaats waarvoor we 100 Dirham moeten betalen.
Missour is groter dan we hadden we verwacht. We lopen vanaf de hoofdstraat door een aantal zijstraten met winkeltjes en langs een aantal rokende BBQ’s: het is etenstijd. Tot twee keer toe treffen we een man die, woeste gebaren makend, schreeuwend over straat gaat. In Europa zou je zeggen: die is bezopen. In het alcoholvrije ?? Marokko denk je: die is niet goed bij zijn hoofd. Beide heren gedragen zich als de dorpsgek. Op een terrasje waar de thermometer 31 graden !? in de zon aangeeft drinken we mierzoete muntthee.

We zijn alweer gewend aan de muezzin die vijf keer per dag oproept tot gebed. In Missour zingen er vanaf 6.00 uur ’s morgens drie muezzins om het hardst. Wie er op dit tijdstip van de dag op de knieën gaat om te bidden en Allah te eren is ons tot nu toe een raadsel gebleven.

Verder naar het zuiden: we gaan door een toeristisch volledig onbekend gebied met een indrukwekkend en wijds landschap met hier en daar een kleine nederzetting waar het lijkt of de tijd er honderd jaar heeft stilgestaan. Hoe klein de nederzetting ook is, er is altijd een minaret.
Bij Beni Tajjite slaan we rechtsaf en komen op een verschrikkelijke hobbelweg terecht waarop twee voertuigen elkaar bovendien niet kunnen passeren. Na het gehucht Aït Ouzzag verwachten we volgens onze informatie een pisteweg waaraan een olijvenboerderij voor een overnachting zou liggen. Van een pisteweg is geen sprake en van enige bebouwing is in de verste verte niets te ontdekken.

We gaan verder met links en rechts de steenwoestijn waarin enkele tenten van nomaden van de Aït Serhouchenstam staan. Ineens: een kudde geiten op de rijbaan – een herder is nergens te bekennen. Verderop lopen er enkele ezels in het wild. Na een kleine 40km wordt de weg, wonderbaarlijk, breder en van betere kwaliteit. We kruisen de N13 en rijden door tot de in de Ziz-kloof gelegen, voor ons niet onbekende, Kasbah Jurassique in Boutallamine. Voor vandaag is het welletjes geweest. We worden welkom geheten met muntthee en nootjes.

We lopen een eind langs de Oued Ziz en zelfs een klein stukje door de droog liggende rivierbedding. Dat is even wat anders dan in 2012 toen we de behoorlijk stromende rivier met een gids tot bijna kniehoogte door het ijskoude water zijn overgestoken om in de er tegenoverliggende bergen te kunnen wandelen.

Na “Jurassic Park” gaan we 25km noordwaarts over de N13 richting de afslag met de R706 om weer van een stukje onbekend Marokko te gaan genieten. Voor het zover is komen we bij de warmwaterbronnen van Moulay Ali Cherif. Het water in de Oued Ziz dat zes kilometer naar het zuiden ijskoud is, heeft hier een heerlijke temperatuur. Het water van de hoofdbron is 53° en wordt in de badhuizen met koud water gekoeld. Behalve in de twee badhuizen, voor mannen en vrouwen gescheiden, kan men ook in de Wadi Ziz baden. Even een bad nemen in de rivier? Nee, zelfs hier wordt er streng op toegezien dat mannen en vrouwen op verschillende tijdstippen baden.

We volgen de R706 tot een afslag naar de R7103 waardoor we midden in de Hoge Atlas terecht komen. Tegen het middaguur komen we in Amellagou aan waar we willen overnachten bij Chez Moha, een soort Bed en Breakfast waar ook ruimte is voor een aantal campers. Moha is er echter vandoor; de plek ziet er verlaten uit – alles is met kettingen afgesloten. We zullen verder moeten.

Tot nu toe hebben we een prachtige route gereden, tussen Amellagou en Assoul is de route adembenemend mooi te noemen alleen ….. de zeer smalle weg is van zeer dubieuze kwaliteit. Bij de vele doorwaadbare plaatsen is het asfalt totaal verdwenen. Bij één van deze plaatsen stroomt er behoorlijk wat water van links naar rechts. De camper gaat sportief bezig en behaalt zwemdiploma A. Na Assoul liggen zowel aan de linker- als aan de rechterkant 3000 meter hoge bergen. De regen die wij in het noorden hebben gehad heeft hier voor sneeuw gezorgd. Hoewel er alweer sneeuw gesmolten is, zijn de toppen behoorlijk wit. We schatten dat we op 2000 meter hoogte rijden waar de sneeuw nog in de bermen ligt. Het is een nieuwe sportieve prestatie voor de camper: het behalen van een skibrevet.
Bij Aït Hani ontdekken we Hotel Panorama waar men ook met de camper kan overnachten. Voor vandaag hebben we genoeg kilometers afgelegd. Wat hebben we genoten van deze fantastische rit. We kunnen verder genieten van het inderdaad prachtige weidse panorama-uitzicht naar alle kanten en van een douche waarvoor de boiler eerst met een houtkachel moet worden opgestookt.

We passeren het redelijk grote maar bouwvallige dorp Tamtattouchte. Wat een armoede – hoe kán een mens zo leven.
Na zeven jaar komt de Gorges du Todra weer eens op onze weg. Hoewel de kwaliteit van de weg erbarmelijk is blijft het rijden van de kloof, die één van de grootste natuurwonderen van Marokko heet te zijn, een feestje. Loodrechte wanden in verschillende kleuren verheffen zich zo’n 23 kilometer lang 300 meter hoog aan weerszijden van de smalle doorgang die de Todrakloof vormt. De Wadi Todra die zich in miljoenen jaren een weg door de uitlopers van de zuidelijke Atlas heeft gebaand zou richting het palmenbos bij Tineghir stromen maar ….. net als zeven jaar geleden staat de rivier droog: er is geen druppel water te bekennen.

In Tineghir is het een drukte van belang. Er is een grote beestenmarkt. Vooral schapen worden na aankoop vervoerd in de laadbak of op het dak van pick-ups. Tussen het verkeer loopt, midden op een rotonde, een mevrouw met een geit aan een touw.
We rijden door naar het tien kilometer verder gelegen Tabesbast en stoppen bij een “camping” uit het jaar nul. De meer dan vriendelijke eigenaar heet ons welkom met sterke thee Marocain. Met 24° en volop zon heeft hij het blijkbaar koud: hij draagt een wollen muts maar loopt wél op blote voeten. Wat is dit een mooie plek! Wat jammer dat alles na ruim vijf jaar bouwen nog steeds niet af is en door ontbrekend onderhoud alweer in verval raakt nog voordat men er wat moois van heeft kunnen maken. Ook de familie woont in een half afgebouwd woonhuis wat zo te zien écht mooi zou kunnen worden. Tja, dan mag je van het sanitairgebouw geen hoge verwachtingen hebben. Gastvrij is men hier zeker. Voor het ontbijt wordt heerlijk vers eigen gebakken brood gebracht. In de loop van de morgen brengt monsieur nog eens thee Marocain. ’s Middags wordt er brochette, vlees aan een spies, gebracht. En dat alles gratis en voor niets – ongelooflijk. Wat dit betreft is het een topplek. Na twee dagen gaan we verder.

De door ons nog niet eerder gereden route vanaf Tabesbast tot Alnif gaat over twee passen van zo’n 1500 meter hoogte: de Tizi-n’- Boujou en de Tizi-n-Ismarène. In Alnif is een grote soek met allerlei “rommel”; groente en fruit kunnen we niet ontdekken. Daar is in Tazzarine genoeg van te vinden maar te midden van alle drukte is er geen plek om de camper te parkeren. Meteen na het dorp staat bij een afslag een camping aangegeven. We volgen 800 meter lang een smal weggetje langs een watergoot waarin vrouwen de was doen. Het wordt smaller en smaller en net als we ons afvragen of dit wel goed is staan we voor de poort van Camping Amasttou. Het is een pietepeuterig klein plaatsje waar Theo de camper achterwaarts in moet manoeuvreren. We zijn de derde campergast en daarmee is de plaats vol. We staan wél prachtig tussen de palmbomen en wit en paars bloeiende struiken. De eigenaar vraagt of de camper een stukje naar rechts gezet kan worden. We hebben niet zo’n zin aan krassen aan de zijkant van de camper van de scherpe punten van een palmtak. Geen probleem: meneer zaagt de tak er even af. Behalve de plek voor de campers staan er zes nomadententen te huur. We lopen terug naar het centrum van het dorp om inkopen te doen.

We gaan nog één keer het onbekende tegemoet. De route die we naar Zagora kiezen staat niet op de kaart. Het landschap is niet echt spectaculair te noemen; eerder eentonig met afwisselend grote gedeelten steenwoestijn met veel zwarte bergen en kleinere gedeelten zandwoestijn waar de omgeving roodbruin kleurt. Hier en daar staat een verdwaald, armoedig onderkomen opgetrokken van leem en klei. Midden in de dorre vlakte staan tenten van vee nomaden. We hebben het ons vaak afgevraagd en zullen het nooit weten: waar leven deze mensen van, hoe komen ze op dergelijke plekken aan water en levensmiddelen.
Snel na elkaar passeren we enkele gehuchten die allen de naam “Aït” hebben: Aït-Ali-Hasso, Aït-Menad, etc. Aït betekent “zoon van” met betrekking tot een stam of de streek waar een stam huist.
In Tarhbalt raken we het spoor bijster. Een behulpzame jongeman zet ons weer op de goede weg.

In Zagora gaan we naar de nieuw aangelegde Camping Palmeraie d’Amezrou waar Hami meteen druk in de weer is met het neerleggen van een rieten mat en het neerzetten van een tafel voor de camper. Daarna moeten we komen theedrinken. Dit is nog eens een welkom.
Zagora ligt midden in de groene Draavallei. Het vele groen doet ons bijna vergeten dat we zojuist uit de kale Sahara zijn gekomen. Omdat de vallei zo vruchtbaar is, is deze rijk aan oases waar de ksour (meervoud van ksar = versterkt dorp omgeven door muren met torens op de hoeken) zijn verrezen rond de oude kasba’s in de palmbossen.

We gaan naar de soek die hier een regionale functie heeft dus héél groot is . Het is ruim een half uur lopen naar de stad en, wat we niet hadden verwacht, dan nog een kwartier verder naar de soek die een eind buiten de stad is. We snappen nu waarom Hami ons in zijn auto wilde brengen maar ….. we lopen graag! Hoe dichter we de stad naderen, hoe meer we worden aangesproken en lastig worden gevallen door mannen die ons mee willen nemen naar hun winkeltje. Het kost moeite om van ze af te komen. Ze blijven met ons meelopen en aandringen. Eén meneer vertelt dat hij bij Philips in Eindhoven heeft gewerkt en vraagt of we namens hem een brief in het Nederlands willen schrijven voor een vriend. Jawel, maar niet in zijn toko – we kennen het klappen van de zweep. Als we niet mee naar binnen willen hoeft het inderdaad niet meer en zegt meneer: “dag”.
Op de soek is het de gebruikelijk chaos die er op elke soek heerst. Met een paar tassen fruit (appels, sinaasappels, bananen en mandarijnen) waarvoor we omgerekend slechts € 2,- betalen, lopen we drie kwartier terug naar de camper.

Na een paar dagen Zagora, met mooie wandelingen in de palmbossen, vertrekken we. Als we de landkaart bekijken is er geen nieuw berijdbare route meer richting Tafraoute, ons uiteindelijke doel. Vanaf nu moeten we verder over reeds gebaande paden.
Onze volgende stop is de boerderij van Saïd in Agdz, één van onze favoriete plekken in Marokko. Zoals altijd wacht ons een warm weerzien met Saïd, Corinne en met Fatima, de zus van Saïd. De poesjes Mimi en Roubio zijn ook meteen van de partij. Roubio is de rode kater die Corinne vorig jaar uit Frankrijk heeft meegebracht en die het poezenbestand in korte tijd van vijf poezen naar elf poezen heeft uitgebreid. Een verdere gezinsuitbreiding is het afgelopen jaar achterwege gebleven; er zijn inmiddels drie poezen overleden zodat er nu nog acht poezen rondlopen.
Zoals al een aantal jaren het geval is komt Mimi meteen op schoot liggen zodra we buiten zitten. Roubio vindt het leuker om luid miauwend in de camper rond te lopen.

We gaan naar het dorp naar Sharif, de broer van Saïd. We treffen hem niet in zijn winkel aan; wel twee heren die beweren dat hij in de woestijn is en over drie dagen terug zal zijn – peut être. We vertellen het Saïd. Hij vindt het een raar verhaal en belt Sharif op. Binnen vijf minuten is Sharif op de boerderij en bij een kopje koffie in de camper vertelt hij wat er is gebeurd en vertelt hij over zijn vertrek uit de winkel. Na op een schandalige manier te zijn behandeld is hij à la minute vertrokken. Het gebeurt dus niet alleen in Nederland/Europa dat mensen onheus behandeld worden.
We zijn in ieder geval blij dat we Sharif nog gezien en gesproken hebben.

En ja, het was kerstmis. We hebben er weinig van gemerkt in dit moslimland waar vanzelfsprekend geen kerst wordt gevierd. Bovendien: bij een temperatuur van 25° is het kerstgevoel er ook niet echt. Bij Saïd en Corinne staat een kerstboom in de huiskamer. Corinne is van oorsprong Française en houdt de traditie in ere.
Ook aan de mooie dagen op de boerderij komt een eind. Na een knuffel en nog een knuffel nemen we afscheid: shoekran – beslama (bedankt en tot ziens). Tot volgend jaar. Inshallah!

Via Taliouïne gaan we naar Taroudant waar we “monsieur” opzoeken om zoals elk jaar Berberwhisky, een mix van meerdere kruiden om thee te zetten, te gaan kopen. Hij komt ons met een brede glimlach van herkenning tegemoet. We dwalen door de soek en komen aan het eind van de middag op het grote plein waar we op een terrasje muntthee drinken. Er is, zoals altijd, veel bedrijvigheid – er wordt muziek gemaakt en gedanst. We kijken uit naar de man in djellabah met een strooien hoedje op het hoofd waarop een duif op de maat van zijn mandolinespel op en neer fladdert. Jammer, hij is er dit keer niet. Wel komt hetzelfde heerschap met de tamboerijn luid hihahihaho roepend naar ons toe en vraagt voor deze “voorstelling” een paar dirham.

We gaan op weg voor, voorlopig, onze laatste rit om te gaan overwinteren in Tafraout. Vanzelfsprekend zullen we daar “onze” Marokkaanse familie weer ontmoeten.
Als we de landkaart bekijken ontdekken we tot onze verrassing nog een door ons nooit gereden route. Het is weliswaar een bergetappe en een witte weg op de kaart die dwars door de Anti Atlas voert maar ….. we gaan ervoor. De kwaliteit van de weg valt niet tegen. Het is een prachtige rit maar over een éénbaans weggetje en het regelmatig in de berm wachten op een tegenligger schiet het natuurlijk voor geen meter op. We doen er vier uur over om de slechts 140km naar Tafraout af te leggen.

Aankomst in Tafraout: We rijden door het dorp richting het vrije veld. Enthousiast zwaaiend worden we staande gehouden door Mohamed, eigenaar van de plaatselijke garage. Na een hartelijk welkom, een omhelzing en de bevestiging dat er dit keer, in tegenstelling tot vorig jaar, geen problemen te verwachten zijn op het vrije veld leggen we de laatste paar honderd meter af.

En dan: niet te geloven. We zien meteen dat “onze plek” door een afzetting met stenen is “gereserveerd”. We vermoeden dat dit het werk van Mohamed is, hetgeen later wordt bevestigd.
Het wordt nog mooier. Van achter een struik, uit de schaduw, komen Mariam en Abdillah tevoorschijn. Ze hebben daar geruime tijd op onze komst staan wachten. En….. wat ontzettend lief – Mariam heeft ter verwelkoming tajine gemaakt en ze heeft brood bij zich. Als dát geen warm welkom is! Gauw koffie zetten en de eerste belangrijke nieuwtjes uitwisselen. Het is bijna onvoorstelbaar dat er al weer een jaar voorbij is.
Na een maand reizen door dit mooie land voelt Tafraout als thuiskomen. Mohamed is aan het werk in de groentewinkel van Galid maar ’s avonds komt de hele familie en kunnen we eindelijk door het geven van de voor hen meegebrachte presentjes van wat extra gewicht af. Wat zijn we blij weer in Tafraout te zijn en iedereen in goede gezondheid aan te treffen. Zoals elk jaar gaat Mariam brood voor ons bakken en zorgt Mohamed er dagelijks voor dat de watervoorraad op peil blijft. Ook gaat hij meteen op pad voor een gasfles.

Mede door de goede zorgen van deze lieve familie kunnen we hier wekenlang overwinteren in dit prachtige paradijsje met rondom de palm-, argan- en amandelbomen.
Het is 29 december – op tijd voor de jaarwisseling hebben we ons plekje weer gevonden.

Vanuit een zonnig en 25 graden warm Tafraout wensen we iedereen een voorspoedig en vooral gezond 2020.

Gearchiveerd onder: Nieuws Geen reacties
29nov/190

Spanje

Na onze fantastische Pyreneeën-rit en het kruisen van de N240 gaan we zuidwaarts over de A1601, een weg die in erbarmelijke staat is. Bij het Embalse de Yesa liggen enkele ruïnedorpen. De dorpen zijn het slachtoffer van het stuwmeer geworden. Door de vulling van het meer werden de meest vruchtbare gebieden overstroomd. De inwoners waren genoodzaakt te vertrekken.
Op het moment dat het wegdek eindelijk beter wordt zijn we bijna in Sos del Rey Católico. In deze kleine historische stad werd Ferdinand van Aragón in 1542 geboren. Hij trouwde met Isabella van Castilië (de Katholieke Koningen). Dit huwelijk maakte de weg vrij voor de éénwording van Spanje. Het Palacio de Sada (geboortehuis van de Koning), de Iglesia de Esteban, de Lonja (beursgebouw) en het 16e eeuwse stadhuis zijn uitzonderlijk goed bewaard gebleven.

We overnachten op de camperplaats in Cariñena, een wijndorpje met vele Bodega’s. Het is één van de oudste wijngebieden en omvat bijna 22.000 hectare. Behalve een mooie kerk vinden we het vies en rommelig in Cariñena, maar ….. we kunnen in ieder geval in één van de vele Bodega’s gaan zitten pimpelen.

We hebben ontdekt dat er rond Alicante drie bedrijven zijn die zouden kunnen helpen met het repareren van de satellietschotel. Eigenlijk willen we helemaal niet naar de oostkust: het is niet anders.
Teruel ligt op de route. Deze stad met de eeuwen geleden door de Mudéjaren (moslims) verfraaide mudéjar-gebouwen, waarvan vijf overgebleven torens de fraaiste zijn, hebben we eerder bezocht. Mudéjarstijl is te herkennen aan decoratie in baksteen, pleisterwerk en keramiek. Teruel is tevens de stad van de Spaanse Romeo en Julia: Isabel de Segura en Diego de Marcilla. We doen Teruel dit keer aan om bij de tegenover de camperplaats liggende Mercadona boodschappen te doen en niet onbelangrijk, de inhoud van de lpg-tank aan te vullen.

Ten zuiden van Teruel rijden we een gebied met meerdere Sierras in. Het is een prachtige route. Met het constante stijgen en dalen over smalle bergweggetjes met haarspeldbochten wanen we ons al snel terug in de Pyreneeën, alhoewel wat minder heftig omdat de bergen minder hoog zijn. Na de dorpen Casas Altas en Casas Bajas, de namen van de dorpen zeggen alles over de ligging, gaan we door een grillige kloof langs de Rio Turia die uiteindelijk in het Embalse de Benagéber uitmondt.
In Benagéber vinden we een prachtige plek om te overnachten. Eenzaam, stil en donker. Wat wil je nog meer! Het dorp stelt weinig voor maar het is een prachtige omgeving om te wandelen. Er staan meerdere routes aangegeven. We lopen naar het Ermita de San Isidro. In het parkje rondom het Ermita “wonen” enkele namaakbeestjes, zoals een paar wilde zwijnen, een hert en een uil.

De nachten worden kouder. ’s Morgens is het gemiddeld zes graden in de camper, dus ….. even kacheltje aan voor de zon over de berg komt. Als we vanmorgen de verduisteringen opendoen staat er een trekkerstentje in het gras. Om daar met deze nachtelijke kou in te slapen – dat is nog eens een bikkel!!

We verlaten Benagéber over CV390, een 20km lang, smal weggetje waar de camper nauwelijks op past. We komen, ongelooflijk genoeg, twee touringcars tegen. Wat nu?! We staan recht tegenover elkaar en niemand kan een kant op. Theo heeft echter met het lessen voor het vrachtwagenrijbewijs geleerd vooruit te kijken en heeft gezien dat er 200 meter terug een smalle strook in de berm is met een minieme uitwijkmogelijkheid. Dus: in de achteruit en 200 meter terug. Héél voorzichtig passeren de bussen: de chauffeurs steken beiden de duim op.

We gaan noodgedwongen richting de oostkust. Het is beslist niet ons ding!
Net ten zuiden van Valencia ligt het zoetwatermeer L’Albufera. Het wordt door een beboste zandbank, de Dehesa, gescheiden van de zee. Het is één van de belangrijkste wetlandgebieden voor vogels in Oost-Spanje. Het meer is omgeven door rijstvelden waar een derde van de Spaanse rijstoogst wordt geproduceerd.

In El Saler hebben we een wasfeestje. Het werd tijd! Gedurende de tocht door de Pyreneeën is het er niet van gekomen; de wasmand is behoorlijk vol.
Daarna is het tijd voor een ander feestje. We gaan op weg naar Altea voor de afspraak met Costa Blanca Satélite. We passeren Calpe met de Penyal d’Ifach. In 2005 hebben we deze 332 meter hoge kalkstenen rots, die rechtstandig uit de zee lijkt op te rijzen, beklommen. Of we het nu nog zouden redden blijft de vraag!
Ruim op tijd zijn we bij Costa Blanca Satélite, het is nog siëstatijd. Na een half uurtje wachten wordt de tv-schotel van het dak gehaald. Al snel blijkt wat er aan de hand is. Door de aanvaring met de boomtak is er een tandwieltje afgebroken. Het klinkt eenvoudig maar voor het tandwieltje vervangen is en alles weer functioneert zoals het hoort zijn we drie uur verder. Bij het afrekenen blijkt maar weer dat je beter iets in Spanje kunt laten repareren dan in Nederland. Voor drie uur werk plus onderdelen hoeven we slechts € 135,- te betalen.

Het is inmiddels donker geworden en we moeten nog op zoek naar een plek voor de nacht, het liefst niet meer al te ver rijden. Het houdt niet over in El Campello maar we kunnen er in ieder geval de ogen dicht doen. Vooral Corrie doet net alsof ze de muziek, lallende Spanjaarden, voorbij rijdende auto’s, blaffende honden en krijsende katten niet hoort. Slaap je niet, dan rust je toch.
Na een onrustige nacht vertrekken we zo snel mogelijk.

Als we Alicante voorbij rijden zien we het 16e eeuwse Castillo de Santa Bárbara op een heuvel liggen. We zijn er samen met Sigrid geweest toen ze aan de universiteit studeerde en in Alicante woonde. Vanuit haar keukenraam keek ze uit op het Castillo. Het is al weer 14 jaar geleden – waar blijft de tijd.
We gaan het binnenland weer in. We vinden de Spaanse kusten met de hoge hotel- en flatbouw en de vele toeristen iets verschrikkelijks. Dan maar een paar graden frisser en ’s morgens de kachel even aan voor de zon er door komt. We lopen nog altijd in de korte broek, overdag is het heerlijk weer.

Archena is een redelijke stad met veel smalle straatjes waarin je gemakkelijk kunt verdwalen. Het ziet er triest uit, er is veel leegstand. Langs de Rio Segura loopt een wandelpad. Na een uur keren we om en gaan dezelfde weg terug. Maar ach, de voorkant ziet er anders uit dan de achterkant.
Inmiddels zijn de nachttemperaturen hier met 18° hoger dan de dagtemperaturen in Nederland. Overdag wordt het tenminste 28°.

Na Archena willen we naar het westen. Hiervoor moeten we eerst een stukje naar het noorden om de Sierra del Oro heen. Na de afslag bij Cieza ligt de Sierra Puerto aan onze rechterkant. In Calasparra gaat het fout: we missen een afslag en komen onbedoeld in Caravaca de la Cruz terecht. Het verhaal gaat dat in het Santuario de la Vera Cruz (Heiligdom van het Ware Kruis) in 1231, twaalf jaar voordat de Christenen de stad innamen, op wonderbaarlijke wijze een twee-armig kruis verscheen. Hoogtepunt van het jaarlijkse Vera Cruz-feest is de race van de wijnpaarden. Men herdenkt dan het kruiswonder hoe een Moorse aanval werd afgeslagen doordat het Kruis in wijn werd gedoopt, waarop de verdedigers die de wijn dronken hun kracht herwonnen.
Een eindje verder ligt het dorpje Moratalla met een wirwar van steile straatjes en kleurige huizen aan de voet van een 15e eeuws kasteel.

Na een letterlijk rondje van 50km zitten we weer op de bedoelde route, slechts 11km ten westen van het punt waar we de verkeerde afslag namen. Lol! We hebben in ieder geval genoten van een mooie rit. En ….. er komt nog meer moois. De CM3257 gaat door de prachtige Sierra de la Solana.
In Elche de la Sierra stoppen we met de bedoeling een paar dagen te blijven. Het is een leuk stadje met een aantal kleine supermercados, veel groente- en fruitwinkeltjes, een aantal panaderías en veel gezellige terrasjes. We ontdekken een tapasbar waar we ons de tapas met een glaasje vino tinto goed laten smaken.

We gaan hoog over de Sierra de Cujón. Het is een prachtige rit. Een aantal kilometers voor de Puente de Peralejo staat aangegeven dat de pas abierto is. Er wordt op deze hoogte dus nog geen sneeuw verwacht.
In Riópar zal het er in de zomer ongetwijfeld gezellig uitzien. Nu is het er een dooie boel; de terrasjes zijn uitgestorven. Er is wel een mooie camperplaats en er staat een wandeling naar een waterval aangegeven: vier uur ida y vuelta.

Valdepeñas is de hoofdstad van La Mancha’s uitgestrekte wijngebied met het grootste oppervlak aan wijngaarden ter wereld. Er zijn meer dan 30 bodegas. We doen boodschappen bij de Alcampo; op het terrein van deze supermarkt is overnachten toegestaan maar vanwege het 24/7 verkeerslawaai lijkt het ons niet aantrekkelijk. Dan maar geen bodega maar onze eigen huisbar.
Aan het eind van de middag komen we op een triest uitziende camperplaats in Viso del Marqués. We nemen niet eens de moeite om het 16e eeuwse, in opdracht van de Markies van Santa Cruz gebouwde, Palacio del Viso te bezoeken wat overigens alleen met een rondleiding van een gids mogelijk is. Het is prima en stil overnachten hier; maar ….. snel verder.

Baeza is een stadje met opmerkelijk veel renaissancistische architectuur. In 1226 werd de stad definitief heroverd op de Moren. Het huidige ayuntamiento (gemeentehuis) was vroeger een gevangenis en gerechtsgebouw; de Antigua Universidad was tussen 1542 en 1825 één van de eerste universiteiten van Spanje. We zien het Palacio Jabalquinto, de 16e eeuwse kathedraal en de Fuente de Santa Maria, een fontein in de vorm van een triomfboog. De Torre de los Aliatares is een 1000 jaar oude door de Moren gebouwde toren. Op de Plaza del Pópulo staat de Antigua Carnicería, een oud slachthuis uit de 16e eeuw, terwijl in het Casa del Pópulo nu het toeristenbureau is gevestigd. We verlaten het historisch centrum door de Puerto de Jáen waar naast de poort in de stadsmuur in 1521 een boog, de Arco de Villalar, is opgericht om Karel V na een opstand tevreden te stellen.

Ook het 10km verder gelegen Úbeda is een Ciudad Patrimonio de la Humanidad. We lopen de ciudad in bij het Hospital de Santiago, een voormalig gasthuis dat nu dienst doet als conferentiecentrum. Links en rechts van de gevel staan twee vierkante torens waarvan één met een spits met blauw-witte tegels. Op de Plaza de Andalucía staat de Torre del Reloj (het is maar een klein uurwerk) en de Antiguas Carnicerías (geen vlees meer, maar een toeristenbureau). Aan de andere kant van het plein staat de Iglesia de la Trinidad met een naar ons oordeel te moderne crypte. Het 15e eeuwse Casa Mudéjar herbergt het Museo Arqueológico waar weinig mudéjar is te zien. Achter de Capilla del Salvador ligt het Hospital de los Honrados Viejos, het Gasthuis der Rechtschapen Ouden. Aan het Plaza Vázques de Molina staat het Palacio de las Cadenas, genoemd naar de ijzeren kettingen (cadenas) die ooit aan de zuilen bij de ingang waren bevestigd. Aan hetzelfde plein staat de Cárcel del Obispo (Bisschoppelijke Kerker) waar nonnen werden opgesloten.
Er is nog veel meer renaissance en moois te zien. Al met al vinden we Úbeda meer de moeite waard dan Baeza. Het is Spaanse etenstijd (14.30 uur). We zoeken een zonnig terrasje en laten ons het menú del dia goed smaken.
We gaan terug naar de camperplaats achter het opleidingscentrum van de Guardia Civil. We worden goed bewaakt vannacht.

Onderweg in Zuid-Spanje doen we meestal het barokstadje Priego de Córdoba aan. Het barok hebben we zo langzamerhand wel gezien. Dit keer gaan we voor de gigantisch grote Chinese Toko – een ware Winkel van SInkel. De camperplaats in Priego is niet bijzonder maar wel héérlijk rustig en stil. Dat is ook wel eens fijn voor een paar dagen.

In Torrox wacht ons een verrassing. Al sinds onze eerste overwintering van 10 jaar geleden doen we dit leuke plaatsje regelmatig aan. Al is het maar voor de grote markt op maandag en de gezellige twee kilometer lange boulevard met de vele terrasjes. In de afgelopen jaren zijn het aantal camperplaatsen steeds meer beperkt. Dit jaar staan óveral verbodsborden. De camperplaatsen staan er leeg en verlaten bij. De middenstand en de horeca zullen niet blij zijn met deze derving van inkomsten nu er voor de vele campers geen plek meer is. Hoe dom kan een gemeente zijn in het nemen van beslissingen. Gelukkig weten we de weg in Torrox een beetje. We vinden een (saai) plekje voor één nacht in een zijstraatje zodat we in ieder geval naar de markt kunnen.
Echt gezellig is het niet meer. Zowel op de markt als op de boulevard is het een stuk rustiger dan we gewend zijn. Bij het Toeristenbureau vertelt men dat aan de stranden staan niet meer mag omdat Franse camperaars hun toiletpot in zee !! geleegd zouden hebben. Het zullen ook eens geen Fransen zijn die de moeilijkheden veroorzaken. Door het wangedrag van de één wordt het voor vele anderen kapot gemaakt. We worden naar Camping El Pino verwezen. De naam zegt het al: onder de pijnbomen en twee kilometer lopen naar de kust. De hele dag schaduw is in deze jaargetijde ook niet alles en twee kilometer lopen om over de boulevard te slenteren en een terrasje te pakken doe je ook niet regelmatig. Het is jammer maar voor ons is dit de laatste keer Torrox.

In Marbesa staan we op een ruime plaats aan zee. Er komt een Fransman (natuurlijk !) zó dicht naast ons staan dat we elkaar door het raam een hand kunnen geven. Lachen, Theo spreekt geen Frans: hij gaat naar buiten, wappert een keer met zijn handen en zegt “kssst, kssst”. Niet zo netjes; het heeft wel resultaat, ze nemen wat meer afstand. Wij vinden het óók niet netjes om zo dicht naast ons te gaan staan zodat we de deur amper uit kunnen terwijl er ruimte genoeg is.
Het begint te regenen en hard te waaien. De zee gaat behoorlijk te keer. Witte schuimkoppen en hoge golven die met donderend geraas op de kust afkomen. Het wordt maar één regenbui: van de vroege morgen tot laat in de nacht. De volgende morgen schijnt de zon weer. De zee blijft onrustig bulderen – we gaan verder.

In Estepona weten we van jaren geleden een mooi plekje wat verder van de kust met uitzicht over zee. Had je gedacht! Ook hier overal borden dat het prohibido voor autocaravanas is. We rijden door naar Casares, een plek waar het héérlijk stil is. Wat een rust in het hoofd na die bulderende zee.
We maken een wandeling door de Sierra Crestellina. Over onze hoofden vliegen arenden. Hoog op de berg hebben we een prachtig uitzicht en zien we de zee, Gibraltar en Afrika. Het is dan ook nog maar zo’n 50km naar de boot voor de oversteek naar Marokko.
We hebben een leuke ontmoeting met Jos en Josephine: Belgische collega-camperaars. Collega’s in twee opzichten. Ten eerste rijden ze ook Frankia, ten tweede wonen ze net als wij in de camper. Het wordt een gezellige middag die we afsluiten met koffie aziatico en het uitwisselen van telefoonnummers.

Vanuit Casares rijden we de laatste kilometers naar het kantoor van Carlos in Palmones, waar we voor de zesde keer de tickets voor de overtocht naar Marokko kopen. Zoals elk jaar krijgen we een presentje: een fles wijn en een cake. We doen wat laatste boodschappen bij de Lidl en dan ….. Surprise! Daar komt Ben met hond Lucky aanrijden. We hebben de laatste dagen contact gehad over het eventueel samen overvaren naar Marokko. Ben denkt in drie dagen tijd naar Palmones te rijden, slaapt er een nachtje over en komt de volgende morgen op zijn besluit terug. Hij wil het rustiger aan doen. Daarop beslissen wij een dag eerder te gaan varen. Omdat het meer naar het noorden regenachtig weer is, rijdt Ben toch door en staat ineens in Palmones voor onze neus. Grappig, wat hij eerst in drie dagen niet dacht te redden, is hem nu in twee dagen gelukt. Leuke bijkomstigheid is dat Ben jarig is. Hij trakteert ons op een heerlijk etentje.

We gaan op weg naar de boot in Algeciras. Natuurlijk vertrekt de boot weer met vertraging; het is nog nooit anders geweest. Deze keer is het een uur later voor we varen – valt nog mee. Bij de paspoortencontrole op de boot vragen we meteen om een visum voor zes maanden. De Marokkaanse politie-ambtenaar kijkt ons eens dom aan en zegt dat alleen drie maanden mogelijk is. Nou ja zeg! Het lijkt ons ook niet de snuggerste jongeman. Op de vraag “parlez vous français” antwoordt hij: un peu. En dat terwijl kinderen in Marokko vanaf acht jaar Frans leren op school. Maar ja, stempels in paspoorten zetten kan iedereen. Je moet alleen niets vragen. We krijgen over 2½ maand in Tafraout dus weer hetzelfde feestje als vorig jaar als we willen verlengen en langer dan drie maanden in Marokko willen blijven. We kennen nu het klappen van de zweep. Jammer alleen dat het € 80,- extra kost omdat Omar drie regeltjes op een papiertje zet met de verklaring dat we (tijdelijk) op zijn camping moeten staan omdat de politie een vast adres vereist.

In Tanger Med rijden we van de boot door het havengebied waar ons een nieuw feestje wacht. Bij de terugreis Marokko/Europa werd de camper elk jaar gescand op de aanwezigheid van eventuele vluchtelingen. Dit jaar voor het eerst moeten we bij binnenkomst van het land door de scan. Omdat …..? We staan 1½ uur in de rij, dan ….. is de scan kapot. Iedereen mag nú doorrijden tot aan de douane om de camper in te voeren. Hoera??? Nee hoor, onze autopapieren en van meerdere camperaars worden meegenomen en men laat ons allemaal staan, en staan, en staan. We vangen iets op: men zou op zoek zijn naar wapens. Uiteindelijk krijgen we de papieren terug met een bewijsje dat de camper zes maanden !! in Marokko mag blijven. Krijg nou wat, wij niet – de camper wel. We mogen doorrijden zelfs zonder maar één luik te hoeven openen. Bij Ben is het anders: de aanhanger waar o.a. de buggy in staat moet open en men komt gezellig binnen in de camper kijken. Dan wordt ook de camper van Ben ingevoerd. Pffff, het hele geintje heeft ons meer dan drie uur tijd gekost. Wat een gedoe. Bij elke in- en/of uitreis is er wel wat; het lijkt of het steeds moeilijker wordt om het land vlot in- en uit te kunnen reizen. Ach, als je drie maanden of langer kunt blijven: wat zijn dan twee dagen.
We drinken nog een kopje koffie met Ben en nemen daarna afscheid van hem en Lucky. Ben gaat naar de westkust, wij willen naar het oosten.

Net voor het 18.30 uur donker begint te worden arriveren we op de camping in Martil, onze jaarlijkse uitvalsbasis om de eerste dingen te regelen: goedkope diesel tanken (€0,95/ltr), Dirhams uit de muur halen en een telefoonkaart kopen.
Het is 28 november – we zijn voor de zesde keer voor een aantal maanden in Marokko.

Gearchiveerd onder: Nieuws Geen reacties
27okt/190

Pyreneeen

We gaan onderweg naar een startpunt om een route door de Pyreneeën van oost naar west op te pakken. Eerst stoppen we in Sommières, ten zuidwesten van Nîmes waar we Ben met hond Lucky treffen. Gezellig! Sommières is een oud stadje met een mooi centrum. En er is en château. Nadat we met z’n drieën plus hond tot kasteelhoogte omhoog geklommen zijn, dalen we af naar een terrasje ergens in de smalle straatjes met de vele leuke winkeltjes.
Voor de volgende dag staat er een wandeling op het programma. Corrie kookt een simpele maaltijd voor drie personen; daarna gaan we op pad. Het wordt een beste wandeling. Desondanks loopt Lucky de afstand minstens twee keer. Aan het eind van de middag komen we, als vanzelfsprekend, bij een koele biertap uit.
Hoe gezellig het ook is: Ben gaat richting het noorden naar zijn huis in Asnières, wij gaan verder richting Pyreneeën.

Tegen onze gewoonte in overbruggen we een groot aantal kilometers tot aan de voet van de Pyreneeën. We willen nu écht aan de tocht gaan beginnen.
Het startpunt is in Ille-sur-Têt, net ten westen van Perpignan. We overnachten bij de Sites des Orgues. De Site is beschermd erfgoed; een landschap van door erosie gevormde rotsen die bekend staan als de Orgels van Ille. Het doet ons denken aan het Tsjechische Panská Skála (Stenen Orgel) in Práchen.

Villefranche-de-Conflent is één van de vele Plus Beau Villages de France en ligt in een kloof op het nauwste punt van de Têtvallei. Villefranche werd in 1092 gesticht en was vanaf het begin af aan een militaire nederzetting. De stad binnen de muren ziet er nog bijna zo uit als in de middeleeuwen. We slenteren door de met het plaatselijke roze marmer verharde straatjes. In meerdere kleine winkeltjes worden kunst en souvenirs verkocht. Het meer dan 200 meter boven de kloof gelegen Fort Liberté behoort tot het Unesco Werelderfgoed; 734 traptreden !! voeren door de berg omhoog naar het historische Fort. Wij kiezen ervoor het pad langs de berghelling te beklimmen. Boven gekomen willen we wat drinken bij het barretje. Nee, dat kan niet. We hebben vóór de klim naar boven verzuimd een entreeticket voor het Fort te kopen. Geen ticket, geen drinken. Nou ja zeg!

Vanaf Villefranche rijdt Le Petit Train Jaune met een slakkengangetje van 30km/u een 63km lange route door de Pyreneeën naar Latour-de-Carol. De spoorlijn werd in 1910 aangelegd om de bergen te ontsluiten maar heeft nu een toeristische bestemming. Het boemeltreintje met de gele kleur, door de lokale bevolking ook wel gele kanarie genoemd, rijdt over een smal, kronkelend spoor door ravijnen en over bruggen. Tenminste ….. als ie rijdt. We willen een kaartje kopen maar horen dat het smalspoor in onderhoud is tot 27 oktober. We boffen weer eens (niet!). Tot Mont-Louis hebben we er weinig aan gemist. Met de camper rijden we zo goed als parallel langs het spoorbaantje.

Mont-Louis is op 1600 meter hoogte de hoogst gelegen vestingstad van Frankrijk. Het ommuurde vestingstadje heeft een enorm fort dat ooit werd versterkt door Vauban, de militaire architect van Lodewijk XIV. Het fort is nog steeds in gebruik en wel als opleidingscentrum voor Franse commando’s. Als we rond het fort lopen stuiten we overal op borden: terrain militaire, défense d’entrer. Dat zullen we dan ook maar niet doen. Het gehele complex staat op de Werelderfgoedlijst.

Nog geen 10km verder stoppen we in Odeillo waar ’s werelds grootste zonnecollector staat: 54 meter hoog en 50 meter breed. Spiegels concentreren de zonnestralen op één punt. De temperatuur op het verzamelpunt kan oplopen tot 3500 graden Celsius. De collector wordt vooral benut voor experimenten voor o.a. luchtvaart- en ruimtevaartindustrie. Het ziet er indrukwekkend uit.

Na Puigcerda raken we het spoor van het gele treintje kwijt. Het smalspoor gaat verder naar het westen terwijl wij een stuk naar het noorden gaan. Tot zover heeft het treintje voor ons geen toegevoegde waarde gehad. Vanuit de camper hebben we evengoed van de prachtige omgeving genoten.

We gaan over de 1920 meter hoge Col de Puymorens. Adembenemend mooi. Voorlopig besluiten we niet te overnachten op deze hoogte; er staat een koude wind. Meteen na de pas komen we bij een tweesprong. Links gaat de route naar Andorra, rechts naar Aix-les-Thermes. We herkennen het punt waar we vorig jaar uit tegenovergestelde richting kwamen om naar Andorra te gaan. Grappig, nu we van oost naar west door de Pyreneeën gaan, passeren we gedeelten waar we (ooit) al eens van noord naar zuid of andersom door de Pyreneeën zijn gereden. Met de gedachte aan vorig jaar met al die flessen drank in het hefbed en de douanecontrole mijden we Andorra wijselijk dit keer. Het kan niet elk jaar feest zijn.

We komen in de Vallée d’Orlu terecht. In ieder geval een wandelgebied. Er is een klimbos. Gesloten! Maar zo sportief zijn we nu ook weer niet. We lopen naar het Maison des Loups. Er worden, binnen vier verschillende omheinde gebieden Europese, Canadese wolven en wolven van de Noordpool en de Toendra gehouden. Ook gesloten! Of we wel €15,-/p.p. betaald zouden hebben om die wolven te zien, is zeer de vraag. We gaan het bos in waar een waterval met donderend geraas naar beneden komt.

We gaan weer een mooie rit tegemoet. Dit keer over de Col de Port. Aan het begin van de D618 staat dat de route ongeschikt is voor voertuigen vanaf 10 meter lengte. Eénmaal onderweg snappen we dat volkomen; met onze 7,50 meter lengte gaat het goed. Het uitzicht op de Col valt ons wat tegen, we hebben mooiere uitzichten gezien, we zijn blijkbaar behoorlijk verwend. Op het hoogste punt van de Col worden koeien verhandeld. De koeien hebben grote bellen om en loeien….. en loeien: een hels kabaal. Er staan krokussen ??! in bloei. Verder rijdend is het uitzicht tijdens de afdaling meer spectaculair.

Bij Massat nemen we een afslag naar een wel héél smal weggetje dat bovendien niet op de grote overzichtskaart staat. Achteraf ontdekken we het als een wit weggetje op de gedetailleerde kaart. Met vele haardspeldbochten slingeren we met aan de linkerkant de 2200 meter hoge Pic des Trois Seigneurs de berg op over een wegbreedte waar de camper precies op past. We zijn blij dat we bij het Étang de Lers een mooie plek aan een vismeertje aantreffen.
Bij Port de Lers is een vertrekpunt voor deltavliegers. We zien ze bij bosjes over de berg komen. Wij dalen 300 meter te voet de berg af om de Courtal de Peyre Auselère te bekijken. Ooit gewijd aan pastoraal gebruik van juni tot september is dit erfgoed al bijna 100 jaar verlaten. Er staan nog ongeveer tien hutten, “orris” genaamd. De cabane is een hut bedoeld als tijdelijke seizoensgebonden bewoning gemaakt van rots in rotsachtige gebieden of van hout in bosgebieden. De mazuc is gebouwd met sterke beukenpalen bedekt met kluiten turf en gras waarin boter en kaas wordt bereid.
Afdalen is één ding; 300 meter bergopwaarts terug lopen is wat anders. Nat bezweet maar voldaan komen we puffend bij de camper terug. Gelukkig hebben we een douche aan boord.

Vanmorgen: we worden wakker in de wolken, het is een kleine wereld. Geen ideale situatie om verder te rijden. Behalve het missen van de mooie omgeving ook niet erg veilig. We vinden het niet erg. We zijn de afgelopen dagen intensief bezig geweest en kunnen een dagje rust goed gebruiken.

Zo snel kan het gaan in de bergen. Na een nachtje slapen zijn alle wolken verdwenen en kunnen we verder. De zon laat zich al weer zien. Voor we vertrekken stoppen er twee auto’s naast de camper. Er stappen vijf heren van de douane uit. Tja, we zitten nauwelijks ten noorden van belastingparadijs Andorra. De heren gaan midden voor de camper staan kletsen. Werkoverleg? Na een kwartiertje vertrekken ze weer. Wij staan ook klaar voor vertrek.

De volgende Col is de Col d’Agnès. We gaan er weer voor. Uit de bossen stijgt de nevel langs de berghellingen. Een prachtig gezicht. We komen een groep ruiters tegen. Héél langzaam passeren we, je weet maar nooit hoe schrikachtig de paarden zijn. Na de op 1600 meter hoogte gelegen Col d’Agnès gaat het weggetje in een rap tempo omlaag tot 800 meter hoogte: sommige stukken met 17% helling. Regelmatig gaat het stapvoets verder om in de buitenbocht van een haarspeldbocht geen stuurfout te maken met het risico het ravijn in te storten. Eén troost: voor je de bodem van het ravijn bereikt is je lampje uit. Theo is echter een goed chauffeur, met tegenliggers moet je dat maar afwachten. Tot tweemaal toe komt er in een onoverzichtelijke bocht een grapjas door de binnenbocht zeilen.

We drinken koffie in Aulus les Bains waar een klein thermaalbad is en waar een wandeling naar de Cascade d’Ars staat aangegeven.
We gaan verder. Een poosje volgen we een toeristische route die ook op de kaart staat: de D8. We passeren de Col de Latrape op “maar” 1100 meter hoogte. We gaan langs ruisende riviertjes tot Seix. Daar is de route op de kaart op; toch gaat er een weggetje verder. Volgens de borden volgen we de Route des Cols. Op de Col de La Core eten we een boterham en overwegen we of we één van de wandelroutes op zullen pakken. Toch maar niet. Dan moeten we blijven overnachten en het is een onrustige plaats. Erg druk met motoren en andere mensen die van het fantastische uitzicht komen genieten.

Er komen letterlijk beren op onze weg. Op een bord staan richtlijnen aangegeven wat men moet doen bij het tegenkomen van een beer.
We kiezen niet altijd voor de gemakkelijkste wegen maar het is zóó mooi. We genieten. Theo heeft er gelukkig geen enkele moeite mee dergelijke routes te rijden. Op de Pic de La Calabasse rijdt een trekker/aanhanger met hout. We kunnen voorlopig niet passeren. We genieten nóg meer van de prachtige omgeving. Op weg naar de Col de Portet komen we door kleine, stille dorpjes. Zo klein dat we, wat breedte betreft, af en toe vrezen dat we er niet doorkomen. Maar: het lukt!

We blijven Colletjes rijden; de één af, de volgende weer op. Waar we ook stoppen, overal hebben we de wandelroutes voor het uitzoeken. Ook op het Massif de Paloumère worden we attent gemaakt op de mogelijkheid een beer te ontmoeten. In de informatie wordt steeds weer vermeld dat beren schuw zijn zolang ze zich niet bedreigd voelen.
Met meerdere heftige haarspeldbochten en even zo heftige stijgingen komen we bij de Col de Menté. We overnachten in het skigebied naast de skiliften die waarschijnlijk over een goede maand weer in gebruik zullen zijn.

De volgende rit brengt ons van de Franse Pyreneeën naar de Spaanse Pyreneeën.
Zodra we aan de afdaling van de Col de Menté beginnen staat er een kudde koeien op de weg. Eén koe tilt zijn staart op en laat een flinke pannenkoek voor de camper vallen. Wildpoepen is hier blijkbaar toegestaan. Bij St. Béat komen we op de N125. Het is meteen te merken dat het een doorgaande weg door de Pyreneeën is van noord naar zuid en omgekeerd. We komen weer campers tegen.
We tanken in Vielha en dat werd tijd ook. Met nog maar vier liter brandstof in de tank waren we, zeker in de bergen, niet ver meer gekomen. In plaats van de gebruikelijke één liter brandstof voor elke tien kilometer zijn dat op de bergroutes slechts zeven kilometer geweest. De Spaanse literprijs is met €1,22/ltr een stuk vriendelijker dan de Franse prijs van € 1,46/ltr.

We gaan de bergen weer in. De eerste plaats die we tegenkomen is Baqueira, een modern skioord dat er nog verlaten bij ligt. Men kan er kiezen uit meer dan veertig pistes op hoogten van 1500-2500 meter. Verder de berg op komen er nog meer beren op onze weg, maar dan anders. Deze keer in de vorm van wegwerkzaamheden. De berghelling wordt versterkt en de weg wordt verbreed. Eerst staan we twee keer voor een rood stoplicht te wachten; de derde keer staan we een klein kwartiertje in de brandende zon voor een boormachine die gaten boort in de rotswand voor het plaatsen van dynamietstaven en dwars over de weg staat. We parkeren bij de 2072 meter hoge Port de la Bonaigua. Wat een grandioos uitzicht! We kijken uit over de toppen van het Parc Nacional d’Aigüestortes dat in totaal meer dan 10.000 hectare beslaat.

Opnieuw dalen we af. Tussen Llavorsi en Sort stroomt de Noguera Pallaresa, een paradijs voor rafting- en kajaksporters. We rijden parallel langs de rivier. Na Sort naderen we een kloof: de Congost de Collegats. Het laatste dorp voor de kloof is Gerri de la Sal. We parkeren op een kleine parkeerplaats aan de rivier. In Gerri de la Sal overspant een oude boogbrug de Noguera Pallarese. In het dorp staat de Antiga Torre, een verdedigingstoren uit de 13e eeuw. Aan de andere kant van de rivier ligt de uit 1149 daterende Romaanse kloosterkerk Santa Maria waar nog maar sporadisch diensten worden gehouden. Vroeger werd er in een afgezet gedeelte naast de rivier zout gewonnen. In de voormalige zoutopslag is nu een zoutmuseum gevestigd dat natuurlijk gesloten is.

Bij het verlaten van de parkeerplaats raakt de satellietschotel een laaghangende tak. Niets aan de hand? Dat zien we op de plek waar we gaan overnachten wel. We rijden door tot La Pobla de Segur, een trieste plek – morgen gaan we verder.
Theo klimt op het dak om de satellietschotel weer in de goede stand te zetten. Keurig gaat de schotel daarna omhoog maar gaat achterover kantelen totdat het ding omgekeerd op het dak ligt: er is geen beweging meer in te krijgen. Nou ja, de schotel ligt in ieder geval redelijk plat. Zodra we de Pyreneeën uit zijn eens zien of we een adresje in Spanje kunnen vinden die de boel weer fixen kan. Leuk is anders maar liever een satellietschotel die niet functioneert dan bijvoorbeeld de koelkast, de kachel of de douche. Theo merkt laconiek op: er is toch niemand dood gegaan?! En….. we kunnen altijd nog dvd’s gaan kijken.

Na Pobla de Segur is de weg eerst nog goed berijdbaar. Daar komt richting de Col de Creu de Perves en de Col de Viu al gauw verandering in. In één van de haarspeldbochten van de Col de Viu staan stoplichten voor een tunneltje. De camper kan de bocht in de tunnel maar net halen. Enkele kilometers voor El Pont de Suert ontdekken we een wandelparkeerplaats aan het Embalse de Escales.

Meteen na El Ponte de Suert kunnen we rechtsaf naar de Valle de Boi en het Parc Nacional d’Aigüestortes. We kiezen ervoor door te rijden naar het Parque Nacional de Ordesa. We rijden nog meer Colletjes: de Col de Espina en de Col de Fados. De hellingen staan er in herfstkleuren prachtig gekleurd bij.
Snel verandert het landschap om ons heen, worden de bergen hoger en duiken de eerste toppen van meer dan 3000 meter hoogte op. Zo hoog gaan wij niet! Rondom het Reserva Nacional de Benasque bevinden zich, met zo’n 3500 meter hoogte, de hoogste bergen van de Pyreneeën. De toppen zijn grauwgrijs.

Meteen na Castejón de Sos verdwijnen we in de spectaculaire Congosto de Ventamillo, een nauwe kloof met de rivier de Esera in de diepte. Na het dorpje Seira wordt het dal langzaam aan breder. We blijven de Esera volgen tot Campo waar ook weer rafting en kajakken mogelijk is.
Bij Escalona gaan we linksaf richting de Cañon de Añisclo midden in het Parque Nacional de Ordesa. Er wordt aangegeven de route niet te gaan rijden met voertuigen langer dan negen meter. Dat kan dus mooi. Behalve de Cañon de Añisclo zijn er nog drie kloven die met hun spectaculaire kliffen het kalkstenen massief doorsnijden. Het grootste gedeelte van het park is alleen te voet toegankelijk. Sneeuwval in herfst en winter maken het gebied ontoegankelijk. Hoe lang nog voor de eerste sneeuw gaat vallen?

Zo’n drie kilometer na Escalona pakken we een 16km lang ijzingwekkend weggetje, dat op geen enkele kaart staat, de bergen in naar Buerba. We doen er maar een uurtje over. Na een spannende rit komen we bij een plek met fantastisch uitzicht rondom, midden in de eenzaamheid. Oké, de plek is afgezet met een rij stenen. Kleine moeite om ze aan de kant te schuiven. Andere gekken die deze route met een camper rijden, hebben we niet gezien. Als we het van tevoren hadden geweten, hadden we het in verband met de veiligheid waarschijnlijk niet aangedurfd. Het blijft echter fantastisch mooi maar er zijn grenzen. Dit is eigenlijk over de grens. Het is af en toe doodeng en best tricky. Vandaag zijn we de hele dag tot op een bescheiden 1400 meter hoogte gebleven. We vermoeden dat we hier tussen de 1800-2000 meter staan.
Der Añisclokloof is indrukwekkend. Wat een diepte! We lopen naar het gehucht Vio dat aan een doodlopend straatje ligt.

En dan: we zijn de berg opgegaan, we zullen er ook weer af moeten. We ontdekken dat er maar één doorgaande weg door het Parque Nacional de Ordesa gaat: de berg op en de berg weer af. Al snel komen we bij een afslag die door een tunnel verder de berg af gaat. De tunnel is ingestort! We kunnen kiezen: omkeren en de kortere onveilige route terug rijden of doorrijden naar een route via Nerin wat 70km omrijden betekent. We kiezen voor het laatste in de hoop dat deze weg beter berijdbaar/veiliger zal zijn. En inderdaad, na de dorpen Nerin en Fanlo lijkt de weg beter te worden. We kijken tegen overweldigend gekleurde berghellingen aan. Wat dat betreft is de herfst zeker op z’n mooist. Gestaag dalen we af. Bij Sarvisé hebben we het ergste gehad. We zijn heelhuids en zonder ongelukken beneden gekomen. Het was een hele belevenis en we zijn weer een ervaring rijker.

We gaan op weg naar het in Frankrijk gelegen Parc National des Pyrénées. We gaan de grens dus weer over. Het blijft zigzaggen omdat de wegen in de Pyreneeën veelal noord/zuid lopen en zelden oost/west. Richting de Col d’Aspin komen we weer terecht op een smalle weg met haarspeldbochten. Op de 1500 meter hoge Col is een parkeerplaats met een machtig uitzicht.
Wij gaan nog een stukje verder, dalen 350 meter af tot aan het Lac de Payolle. Door het bos gaat een wandeling naar de Serre Crampe en er is een eenvoudige wandeling rondom het meer.

Het heeft vannacht geregend. Op de hoge bergtoppen rondom is de eerste sneeuw gevallen. We willen vandaag de meer dan 2100 meter hoge Col de Tourmalet over, tenminste ….. als deze nog open is. We vervolgen de route over de D918. Hoe hoger we komen hoe meer we richting de sneeuwgrens gaan. La Mongie ligt op bijna 1800 meter hoogte. De eerste sneeuwvlokjes vallen op de voorruit, in de bermen langs de kant van de weg ligt sneeuw. Er wordt echter nog steeds niet aangegeven dat de Col de Tourmalet gesloten zou zijn.

In La Mongie gaat een kabelbaan omhoog naar de op 2900 meter hoogte gelegen Pic du Midi de Bigorre. Vanaf 1873 was er op de top een weerstation dat is omgebouwd tot observatorium. Met een grote telescoop worden hier Mars en andere planeten geobserveerd/bestudeerd. Een ticket voor de kabelbaan inclusief een bezoek aan het Museum voor Astrologie en een Planetarium kost € 40,-/p.p. Pffff !! Echt niet!!
Hoger gaan we. Na de laatste heftige haarspeldbochten bereiken we de witte wereld van de Col de Tourmalet die in lichte nevel is gehuld. Vrijwel meteen beginnen we weer aan de afdaling. Op iets lager gelegen terrein drinken we koffie. Pal voor onze neus stijgt een helikopter op.
We passeren Barèges: in de winter een skioord, ’s zomers een paradijs voor wandelaars. Op deze hoogte van 1200 meter zijn de hellingen weer groen. Het is helder en de zon schijnt. In Luz-Saint-Sauveur is het erg toeristisch en er is zowaar een Carrefour supermarkt. We doen wat inkopen.

In Pierrefitte-Nestalas raken we onbedoeld van de route af. We vinden het niet erg. Het is mooi rijden. Het gaat goed tot in het gehucht St. Savin. Daar hebben we weer eens wat. We rijden ons vast. De doorgaande route is geblokkeerd. We volgen de omleidingsroute maar stranden in een haakse bocht. Achterwaarts gaan we terug, wat nog een hele toer is. Er is nóg een weg door het gehucht: ook met een haakse bocht. Na tweemaal heen en weer steken komen we er door. In de buurt van Aucun komen we op de eigenlijke route terug.
Dat verveelt snel. Al na een paar kilometer slaan we bij Arrens af. Het is in ieder geval een wit weggetje op de kaart. Richting de Vallée d’Arrens rijden we langs het stuwmeertje Lac du Tech. Er gaat een wandelroute om het meer. Wij gaan hoger en stoppen bij het Forststation Aste waar meerdere wandelroutes starten. Bij het station houdt de weg op. We moeten morgen 12km terug om de route te kunnen vervolgen. Op de gedetailleerde kaart zien we dat er geen énkele weg voor gemotoriseerd verkeer door het Parc National des Pyrénées is.

We staan aan de rand van het park en gaan te voet verder. We pakken een pad met grote en kleine rotsblokken, met grote en kleine stenen. Het loopt niet ontspannen maar we hebben een doel: het Lac de Suyen en de Cascade de Doumblas. Een eind na de Cascade zien we een stenen hut die, als we er een kijkje nemen, bedoelt lijkt voor overnachtingen voor lange afstand wandelaars. Nog iets verder ligt een tweede hutje, gebouwd in een rots tegen de berghelling – een oude herdershut.
Onderweg kruisen we andere Wandelroutes. Eén ervan: Peyre St. Martin in Spanje. Maar drie uur en een kwartier lopen. Met de camper zullen we tijdens de volgende rit snel genoeg weer in Spanje zijn. Voldaan komen we na de wandeling “thuis”. Wat hebben we ervan genoten in deze fantastisch mooie omgeving met de vele, vele wandelroutes die vanwege het enorme hoogteverschil niet allemaal de gemakkelijkste zijn.
Na het eten: nog even een paar appjes beantwoorden. Mooi niet: geen telefoonbereik in deze “wildernis”. Vlak voor het donker wordt zien we een stuk of zes gemzen vangertje spelen – bergje op, bergje af. Zo snel redden wij dat niet.

Nadat we de 12km terug zijn gereden, komen we al snel bij de Col de Soulor. Wat landschap betreft is dit een hoogtepunt. Nauwelijks zijn we de pas over of de volgende dient zich aan: de Col d’Aubisque. De route richting de Col is erg smal en aan de rechterkant, beneden naar de afgrond, zonder afbaking. Het rijden vraagt hier de nodige concentratie en bij veel tegenliggers wordt het inspannend.
We hebben inmiddels de nodige passen gereden die ook op de route van de Tour de France liggen. Zo ook de Col d’Aubisque. Op het hoogste punt van de pas staan drie gigantische fietsen in de kleuren wit, geel en groen. Aan de andere kant van de pas is de weg breder en met een muurtje beveiligd.

Laruns is het grootste dorp van de Vallée d’Ossau waar de 2885 meter hoge Pic du Midi d’Ossau met zijn spitse toppen hoog boven uit steekt. Ook hier aan wandelroutes geen gebrek.
In de dorpen Les Eaux Bonnes en Les Eaux Chaudes (grappige namen) zijn, zoals de namen kunnen doen vermoeden, thermaalbaden. We gaan dwars door het zuidelijke deel van de Vallée d’Ossau. Onze route voert naar het zuiden richting de 1800 meter hoge Col de Portalet die ons terugbrengt naar Spanje. De grens is bovenop de Col.

Eénmaal in Spanje gaan we verder naar het zuiden tot Sabiñanigo. Naar het westen is de N240 een saaie weg. Het schiet wel even op, zo hard hebben we in geen tijden kunnen rijden. We nemen niet de afslag naar San Juan de la Peña, een kloosterkerk die in de rotsen is gebouwd. We zijn er in de zomer van 2008 en in het voorjaar van 2018 al geweest.
Bij Berdún hebben we genoeg van de N240 gezien. We slaan een bergweggetje in waar de breedte van de camper precies oppast. Hopelijk komen we niemand tegen. Dat gebeurt niet maar ….. “ergens” staat wel een sjofel die neergevallen rotsblokken van de weg schuift. Gelukkig is er niet zo’n rotsblok op het camperdak gevallen.

De Valle de Ansó is gevormd door twee rivieren. De vallei gaat over in een kloof daar waar de rivier de Veral en de weg ernaast zich langs steile rotspartijen en door bergtunnels wringen. Zonder verdere problemen bereiken we na 19km het dorp Ansó. Als we op een mooie plek net buiten het dorp staan krijgen we visite: er komt een kudde schapen voorbij. En wat voor kudde! Het moeten minstens 1000 schapen zijn. De camper wordt rondom compleet ingebouwd.

Ansó is “uno de los Pueblos más Bonitos de España”. Vanwege de afgelegen ligging zijn de inwoners in deze vallei lange tijd van de buitenwereld afgezonderd gebleven. Mede hierdoor heeft het dorp de traditionele gebruiken, ambachten en het lokale dialect, het Cheso, behouden. In de gotische kerk is een museum ingericht gewijd aan de lokale gebruiken. Typerend voor deze regio zijn de leistenen daken met grote schoorstenen met daarop beelden (espantabrujas) om te voorkomen dat er heksen via de schoorsteen binnen komen. Ter bescherming tegen de winter zijn de huizen in het dorp dicht tegen elkaar aangebouwd.
Door de smalle straatjes langs het dorp gaat alweer een gigantische kudde schapen. Er is kou op komst. De beestjes worden vanuit de zomerweide voor de winter naar binnen gehaald.

Gaan we nog één keer de grens over terug naar Frankrijk? We willen erg graag naar de Gorges de Kakuetta om te voet in deze kloof af te dalen. Echter ….. opnieuw begint het te regenen. De weersvooruitzichten voor de héle komende week zien er niet rooskleurig uit. Hoe snel zal de sneeuwgrens dalen bij de verwachte hoeveelheid regen? We gokken het er niet op – het is verstandiger de Pyreneeën te verlaten. De Gorges de Kakuetta blijft op ons verlanglijstje staan.

Vanuit Ansó vertrekken we in een druilerige regen. Voor we op een enigszins begaanbare route komen, moeten we eerst over een zeer smal bergweggetje. Opeens ….. er zitten minstens tien gieren op de weg en in de berm. Voor we kunnen fotograferen vliegen ze op als ze het geluid van de camper horen. De vale gier komt in Spanje voornamelijk voor in de Pyreneeën. Hij weegt tussen de 6-8 kg, heeft een spanwijdte van ruim 2,5 meter en kan zo’n 40 jaar oud worden. Bijzonder om ze van zó dichtbij te zien.

Met de Rio Esca aan de ene kant en de berghelling aan de andere kant rijden we door een kleine kloof. Zodra we de N240 kruisen is onze Pyreneeënrit zo goed als ten einde. Jammer. Eigenlijk waren we van plan de rit ter hoogte van Pamplona af te breken en dat hebben we tóch maar even bijna gehaald. We hebben geweldig genoten van al dat moois dat de Pyreneeën te bieden heeft. Van de routes die we van oost naar west, al zigzaggend van noord naar zuid en andersom, gereden hebben en van de wandelgebieden en de kleine dorpjes. Het was een geweldige belevenis. We hebben ervaren dat de gehele Pyreneeën één groot wandelgebied is maar dat niet alleen.

Voorlopig moeten we het hiermee doen. We zijn zeker van plan nog eens terug te gaan en niet alleen voor de kortste routes van noord naar zuid en/of omgekeerd.

Gearchiveerd onder: Nieuws Geen reacties
30sep/190

Frankrijk

De Messe in Düsseldorf zit erop. Met Christien en Theo zijn we aan het eind van de middag vanuit Amersfoort vertrokken. We eten onderweg een hapje en komen rond 20.00 uur op het Messegelände aan. Helaas, op de overnachtingsplek voor honderden, wellicht duizenden campers of meer is geen plekje meer vrij. Dat is nou jammer: we hebben eraan gedacht de entreetickets online te bestellen maar aan een parkeerticket hebben we niet gedacht. We worden naar Lohausen gestuurd vanwaar een shuttlebus in tien minuten naar de Messe rijdt. Vanaf het moment dat we aankomen scheren de vliegtuigen met donderend geraas rakelings over de campers van en naar het nabij gelegen vliegveld in Düsseldorf. Na 23.00 uur wordt het stil tot de volgende morgen 06.00 uur – we kunnen rustig slapen.
De volgende dag, éénmaal op het beursterrein, worden we gebeld: Nico en Frie zijn onderweg naar de Messe. Het komt goed uit dat de belangstelling van Christien en Theo uitgaat naar de aanschaf van een Carthago terwijl zowel Nico als Frie enthousiaste Charthagorijders zijn. Er is veel moois te zien. Aan het eind van de dag zien we door de bomen het bos niet meer maar ….. we hebben er met z’n zessen behalve het kijken ook een gezellige dag van gemaakt. Nico en Frie rijden terug naar Nederland, wij blijven nog een avond vliegtuigen spotten. Tijdens een voetbalwedstrijd Nederland – Duitsland op tv staan er een aantal Duitse “gluurders” door de voorruit mee te genieten. Helaas voor hen verliest Duitsland de wedstrijd. Na nog een nachtje slapen brengen we Christien en Theo terug naar Amersfoort. Daarna gaan we na drie hectische maanden met z’n tweeën en route. Gaat dat goedkomen? Kunnen we weer wennen aan de stilte en aan een leven zonder agenda?

De eerste buitenlandse stop is op de camperplaats aan de Ourthe in het Belgische Esneux; een gezellig plaatsje. Omdat we naar de Route des Vins in de Elzas willen, nemen we een spurt door Luxemburg waar we goedkoop tanken en komen eind van de middag in Dabo nabij het begin van de Route op een plek met een prachtig uitzicht onderaan de Rots van Dabo.

Tussen 1870 en de Eerste Wereldoorlog was de Elzas een deel van Duitsland. Daarna werd het weer Frans. De Route des Vins slingert over een afstand van zo’n 180 km tussen Marlenheim (ten westen van Straatsburg) zuidwaarts tot Thann. Hoewel je er voornamelijk wijn verwacht, is er meer.
Onderweg naar Molsheim gaat de route door een bosrijke omgeving. Opeens: nauwelijks honderd meter voor de camper springen er vier herten de weg over; drie herten net vóór een wielrenner langs, de vierde er achter langs. Het had weinig gescheeld of de wielrenner had een PBS, oftewel Platte Bek Smak, gemaakt.
Het is duidelijk te merken dat de Elzas ooit Duits grondgebied is geweest. De namen van veel dorpjes eindigen op heim, thal, willer, stett, etc. Net ten zuiden van Marlenheim pakken we de Route des Vins op en vinden na enige moeite een parkeerplaats in Molsheim. De vroegere bisschops- en universiteitsstad heeft een mooi oud centrum; hier ligt tevens de bakermat van de legendarische auto’s van Bugatti. In het voormalig Kartuizer klooster is het Bugatti Memorial (Foundation Bugatti) gehuisvest waar drie oude Bugatti’s, vele documenten en foto’s zijn ondergebracht. Zo’n 100 km naar het zuiden staan in het automobielmuseum in Mulhouse nog veel meer Bugatti’s.

Via Boersch met fraaie vakwerkhuizen rijden we door de druivenvelden naar Mittelbergheim. Op sommige velden zijn de druiven reeds geoogst, op andere velden hangen de druiven nog diepblauw/paars aan de struiken.
Mittelbergheim heet één van Les Plus Beaux Villages de France te zijn. We hebben al veel van dit soort mooie Franse dorpen gezien; dit dorp kan ons niet bekoren. Wel hebben we de wijnhuizen met bijbehorende proeverijen voor het uitkiezen. In de hoofdstraat treffen we naast een oude wijnpers een oliemolen uit de 18e eeuw aan die destijds door een paard werd aangedreven.

We zoeken een plek om te overnachten en komen bij de Elzasser wijnboer Spitz in Blienschwiller terecht. Overnachten aan de Route des Vins is vaak mogelijk bij wijndomeinen waarbij natuurlijk een proeverij hoort. In de Elzas groeien zeven druivensoorten waaronder Riesling, Muscat en Sylvaner, genoemd naar de soort druif. De meeste wijnen zijn wit, de enige rode is de Pinot Noir. Na het proeven komen we met een doosje Muscat Prestige en Pinot Noir bij de camper terug.
De Elzas is een streek voor fijnproevers. Het streekgerecht op basis van Choucroute (zuurkool) is beroemd; een typisch Elzasser gerecht is Baeckaoffa, een stoofpotje bestaande uit rund–, varkens– en schaapsvlees, groenten en aardappelen. Voor beide gerechten kunnen we terecht bij het wijngoed van Spitz. Zo’n gek idee is het dus niet om camperaars op het domein te laten overnachten.
Het dorp is niet veel bijzonders. Op het kerkhof valt ons opnieuw het groot aantal Duitste (achter)-namen op: Meyer, Strauss, Schwarz, Müller, Schmidt, Schneider en ga zo maar door.

We vervolgen de Route. In Dambach-la-Ville staat de historische stadsmuur met drie poorten nog voor een groot deel overeind. Het is een leuk dorpje met vakwerkhuizen en natuurlijk héél veel wijnhuizen. Een eindje verder kletst er een plens water over de voorruit. Een mevrouw geeft aan haar balkon hangende plantjes water.
Bij Kintzheim zien we de beroemdste burcht van de Elzas, de Haut-Koenigsbourg op de top van een heuvel voor ons opdoemen. Begin vorige eeuw werd de verwoeste burcht in historische stijl herbouwd. Het is de meest bezochte burcht van de streek. Via Ribeauvillé met drie kasteelruïnes en ooievaarsnesten op de torens rijden we naar het kleine Hunawihr waar het kerkje met versterkte walmuren als een burcht boven het dorp uitsteekt. Aan de wijzers van de klok zijn metalen druiventrossen gehangen.

In Riquewihr kijken we onze ogen uit. Deze keer doet de naam Plus Bueau Village het dorp eer aan. De oude stad is één groot museum met poorten, portalen en vakwerkhuizen, alles overdadig versierd met bloemen. Ook hier weer de vele wijnhuizen naast restaurantjes en souvenirwinkeltjes.
In Kaysersberg staat het geboortehuis van de beroemde arts en Nobelprijswinnaar Albert Schweitzer.

Colmar is de wijnhoofdstad van de Elzas. In het centrum met opnieuw fraaie oude vakwerkpandjes en soortgelijke souvenirwinkeltjes zoals in Riquewihr is meer te zien. Petite Venise, Klein Venetië, is een oud wijkje aan de rivier de Lauch. De naam komt waarschijnlijk van de oorspronkelijke lijn van de huizen aan weerszijden van de rivier. Voornamelijk Japanse toeristen verdringen er zich. We vinden het wat overdreven want een handvol huizen en een bruggetje, weliswaar uitbundig versierd met bloemen, is allemaal wel erg “petit”.
Via de Viswijk lopen we naar de Overdekte Markthallen. De Wijk van de Leerlooierijen is een dorp in de stad; het bourgeoishuis Pfister werd in 1537 gebouwd, de voormalige kapel Saint Jacques (1286) werd in 1575 omgebouwd voor seculiere doeleinden. Het Maison des Têtes, Huis met de Hoofden, werd in 1609 als renaissancehuis gebouwd en dankt zijn naam aan de bijzondere decoratie van 105 groteske maskers. De Elzasser bronkuiper op de schitterende gevel herinnert eraan dat dit gebouw ooit als wijnbeurs werd gebruikt.
We hebben genoeg van de hordes Japanse toeristen; we gaan terug naar de camper die bij wijndomein Wolfloch staat. Eens kijken of er daar nog wat te proeven valt.

De Route des Vins gaat nog zo’n 30 km naar het zuiden door tot Thann. Wij haken af. We hebben gezien dat de Route veel meer dan wijn alleen te bieden heeft en we hebben ervan genoten.

Op de camperplaats in Orschwihr staan we toch nog tussen de wijnvelden en midden tussen de proeverijen; we hebben echter genoeg geproefd. We lopen naar de boulanger in het dorp. Om 10.00 uur ’s morgens is de baquette al uitverkocht. Grappig, je kunt je hier rustig een stuk in de kraag z….. maar brood is niet te koop. Verder is het ook een dorp van niks. Als men een kanon zou afschieten, zou er niemand worden geraakt.
En dan ….. denken we dat Nederlanders bemoeials zijn en met het vingertje wijzen. De Fransen kunnen er ook wat van. Als Theo voor het vertrek van de volgende dag de voorruit gaat wassen komt er een Franse medecamperaar aanlopen die zegt dat het wassen van de camper verboden is. Nou ja zeg, de camper wassen! Nee, het staat nergens, het is de Franse wet. Theo gaat onverstoorbaar verder. Meneer loopt weg; daar komt zijn vrouw aan. Op hoge toon zegt ze dat ze de politie gaat bellen. Doe maar mevrouw, van ons mag je. Denkend aan het “verboden bramen te plukken” in Nederland toch maar even googlen – je weet tenslotte maar nooit. We kunnen echter niets vinden over een verbod auto/camper te wassen op een camperplaats c.q. op straat. De politie komt ook niet opdagen. Ach, sommige mensen moeten nou eenmaal altijd wat te zeuren hebben. Zeker jaloers op onze mooie camper terwijl zij rondrijden in een klein huurkarretje.

Op de camperplaats in Arc-et-Senans is het feest. Als we om 15.00 uur ’s middag aankomen staat er slechts één camper. We zoeken een mooi plekje en dat is maar goed ook. Als snel loopt/rijdt het helemaal vol. We overnachten er met 15 campers! Wat iedereen hier komt doen? De Saline Royale? De zoutfabriek werd in 1982 uitgeroepen tot Werelderfgoed. Toen de gebouwen in 1775 af waren bleek de onderneming geen succes en werd een eeuw later gesloten. De gebouwen staan er nog en zijn als Musée Ledoux Lieu du Sel dagelijks geopend.

We gaan verder en passeren het Jura wijnstadje Arbois dat voornamelijk befaamd is om de sherryachtige vin jaune (gele wijn). We laten het wijnproeven voor wat het is; we zijn onderweg naar de Cascades du Hérisson. Zo’n 5 km ten zuiden van Arbois, ter hoogte van Les Planches, is zonder enige waarschuwing vooraf de “route barré”. Zomaar, de weg afgezet. Geen omleidingsborden. Daar zijn dan ook geen mogelijkheden voor. De enige mogelijkheid is een steil, smal weggetje naar Les Planches, verder een gekronkel van witte weggetjes op de landkaart. We wagen het er niet op; we gaan terug naar Arbois en vervolgen de route via Poligny met de nodige kilometers extra naar de Cascades.

Het dorpje Doucier aan de voet van de Pic de l’Aigle is het beginpunt van het dal van de Hérisson. De wandeling naar zeven watervallen begint op 500 meter hoogte. We volgen een pad door het bos tot de 65 meter hoge Cascade d l’Eventail. Wat, aan het alg langs de berghelling te zien, een brede stroom water moet zijn geweest, valt tegen door waarschijnlijk twee opeenvolgende droge zomers. Ook van de indrukwekkende Cascade du Grant Saut is weinig over. We klimmen twee uur lang omhoog tot de Haut des Cascades – de top van de watervallen tot 775 meter hoogte. Helaas, de watervallen vallen niet; het is wel een wandeling/klim door één van de mooiste natuurgebieden van de Jura geweest.

De route door Frankrijk is net een hindernistocht: héle hoge drempels in de wegen, stoplichten, wegversperringen en vooral veel rotondes – om van de smalle straatjes in de pietepeuterige dorpjes die we passeren nog niet te spreken. Met vooral dit laatste gegeven rijden we door een stuk niemandsland en komen bij een mooie plaats in de natuur in de buurt van het gehucht Courtenay aan het Etang de Salette met een vogelkijkhut. De hut is aan de binnenkant beschilderd met de vogels die te vinden zijn op en bij het water. Rondom de camper lopen twee fazanten.

Verder naar het zuiden rijden we een prachtige route. Ten noordoosten van Valence ligt de Vercors, een wildernis van naaldbossen, watervallen en smalle, diepe kloven. We passeren het gehucht Pont-en-Royans dat uitkijkt over een zeer smalle kloof. De huizen zijn in de kalksteenrotsen uitgehakt en hebben uitzicht over de rivier de Bourne. Ten zuiden hiervan slingert de route, de Combe Laval, langs een steile bergkam boven de rivier. We gaan over een aantal Colletjes tot 1450 meter hoogte. We denken aan Gerda die dit een “natte-kruizen-route” zou noemen. Wij genieten er volop van!

In de Tweede Wereldoorlog was de Vercors een centrum van het Franse verzet. In juli 1944 voerden de Duitsers hier een luchtaanval uit waarbij een aantal dorpen werd verwoest.
In Vassieux-en-Vercors is een Verzetsmuseum, waar ook een mooie camperplaats is. Het dorp is klein maar behalve een bakker zijn er meerdere terrasjes en eetgelegenheden én een souvenirwinkeltje waar de prijzen er niet om liegen. In de omgeving zijn meerdere wandelroutes aangegeven. We zitten
hier op ruim 1100 meter hoogte en dat is ‘s morgens bij het opstaan te merken: het is maar 11° in de camper. Voor het eerst sinds tijden gaat de kachel even aan om de ergste kou te verdrijven.

Vanuit Vassieux dalen we een flink eind via de 1620 meter hoge Col de Rousset. Het is een adembenemende tocht. Omdat in “Miep” tolwegen en ook snelwegen uitgeschakeld staan, is het vervolg van de route ook meer dan de moeite waard.
We komen in het gebied van de Rhône. De rivier verbindt de vele wijngaarden in het Rhônedal met elkaar. Behalve de wijnvelden is dit de streek van de lavendelvelden. Helaas, de bloeitijd is van half juni tot eind augustus. Wij kennen lavendel vooral van lekkere geurtjes in parfum, badolie en geurkaarsen. In deze streek wordt lavendel echter ook gezien als een geneeskrachtig kruid; het heeft een verzachtende, ontsmettende en helende werking.

We stoppen bij Cave des Vignerons de Chusclan. Het dorp Chusclan oogt middeleeuws. Behalve een bakker is er een restaurantje. Daarmee houdt het dan ook op. Oké er is ook een école en een église.
Terwijl het in Nederland stortregent, stormt en evenementen worden afgelast gaan wij bij een temperatuur van rond de 30°op weg naar het op 396 meter hoogte gelegen Château de Gicon met Chapelle Madeleine. Onder het kasteel ligt de 85 miljoen jaar oude Grotte Sacrée (Heilige Grot). Het is een mooie wandeling door wijngaarden en bossen.
Als we aan het eind van de middag terug zijn bij de camper vinden we dat we wel een wijnproeverij bij de Cave des Vignerons hebben verdiend. Na het proeven kiezen we een Laudun Côtes du Rhône, blanc 2018 waarvan we een doosje meenemen.

Het is in Chusclan aangenamer overnachten dan in het hoog gelegen Vassieux. Waar in Vassieux de tweede nacht de ijsbloemen op de dakluiken zaten, staat in Chusclan de deur de hele avond open en sluiten we de dakluiken niet voor de nacht.

We hebben nog een klein stukje op Franse bodem tegoed voor we bij de Pyreneeën zijn die we van oost naar west willen doorkruisen. We blijven het rustig aan doen.
Op naar de Pyreneeën!

Gearchiveerd onder: Nieuws Geen reacties
30aug/190

Nederland (3)

In augustus zijn de bosvruchten rijp. En dat treft. Rondom de camperplaats in Hoogeveen staat het vol bramenstruiken, dus: plukken maar. Totdat ….. er een vriendelijke meneer aan komt fietsen. Hij vraagt of we wel weten dat we in overtreding zijn. Nee, hoezo? Meneer vertelt van zijn zwager die € 380,- boete heeft gekregen omdat hij bramen plukte. Nou ja zeg, dit is toch niet te geloven! Wie bedenkt nou dat dat niet mag!! We googlen en ja hoor: wie een braam plukt of iets anders “meeneemt” uit de natuur maakt zich schuldig aan stroperij. Boetes kunnen oplopen tot € 4100,- of een maand gevangenisstraf kan worden uitgedeeld. Belachelijk toch?! We plukken twee kilo bramen en maken er sap van. In de supermarkt zien we dat twee kilo bramen € 32,- zou moeten kosten!! Wie zou dat er voor willen betalen?

Gearchiveerd onder: Nieuws Blijf lezen